maandag, mei 23, 2011

Het is tijd voor 'above-the-line' adverteren voor FTTH

Terwijl KPN weigert de uitrol van glasvezel via Reggefiber te versnellen, neemt het aantal plaatsen waar deze joint venture actief is respectabele vormen aan. Wij tellen momenteel meer dan 110 gemeenten waar de aanleg ergens verkeert tussen vraagbundeling of planning van nieuwbouw en voltooiing. En dan tellen we plaatsen als Lisse en Den Haag, waar plannen in een vroeg stadium gesmoord werden, niet mee. Enkele tientallen betreffen nieuwbouwprojecten van wisselend formaat, varieren van nog geen honderd tot enkele duizenden woningen, maar ook dat zijn belangrijke projecten. Aangrenzende wijken kunnen immers relatief eenvoudig meegenomen worden. In rond de 30 plaatsen en wijken loopt momenteel een vraagbundelingstraject. Al met al is dus inmiddels in meer dan een kwart van de Nederlandse gemeenten (totaal 418) op een of andere manier de aanleg van FTTH aan de orde - en dan nemen we andere netwerkbouwers, met name CIF, nog niet eens mee.

Wat opvalt aan de vraagbundlingstrajecten is dat een fors aantal daarvan begin juni, wanneer bekeken wordt of de ten doel gestelde 30 (of 40) procent gehaald is, zijn apotheose bereikt. Dat geldt bijvoorbeeld voor Breukelen, Bunschoten, Castricum, Denekamp, Nunspeet en Wijk bij Duurstede. Als je het wat ruimer neemt en kijkt naar de plaatsen waar rond de zomer de vraagbundeling afgerond wordt, dan kom je zelfs tot enkele tientallen plaatsen. De vraag rijst: waarom grijpt men zo langzamerhand niet naar het instrument van het 'above-the-line' (ATL: massamedia, zoals TV) adverteren? De kabel, verenigd in NLkabel, heeft dat in het verleden wel gedaan voor breedband internet en het FTTH Platform zou een goed instituut zijn voor een gecoördineerde glasvezelcampagne. In plaats van de glasvezelboodschap intern binnen de sector uit te dragen, of te sturen op diensteninnovatie, zou een ATL-campagne wel eens effectiever kunnen zijn. Immers, daarmee bereik je in een klap miljoenen Ziggo en UPC-abonnees. Vooral voor de vele aanbieders met weinig naamsbekendheid (XMS, Lijbrandt, OnsNet, Concepts ICT, Solcon, InterNLnet, Tweak, Plinq, KinkXL, Kliksafe) zou dat aantrekkelijk kunnen zijn. Bovendien zijn ze met zo'n groot aantal, dat de kosten ruim uitgesmeerd kunnen worden.

Het bereik van glasvezel is nog altijd beperkt: nog geen 10 procent van de huishoudens. Per 31 maart 2011 zijn er in totaal 693.000 homes passed bij Reggefiber. De vraag is dus wel of ATL kan lonen, maar het grote aantal gemeenten speelt ook een rol. En daarnaast kan het verstandig zijn het begrip glasvezel een grotere naamsbekendheid te geven. Het aantal abonnees is nog geringer: 198.000 (penetratie 28,6%). KPN Retail is goed voor 7,2 procent van de abonnees en de andere aanbieders hebben 21,4 procent. Wel moet daarbij opgemerkt worden dat KPN terrein wint: het heeft nu 50.000 FTTH-abonnees, tegen 21.000 een jaar geleden en 2.000 twee jaar geleden. KPN had aanvankelijk te kampen met haperende 'leverstraten' en tijdens de jongste Investor Day werden aanvullende investeringen aangekondigd in de kwaliteit van de dienstverlening. Daardoor kan het steeds vlotter nieuwe klanten aansluiten. Tijdens de Investor Day werden overigens ook nieuwe FTTH-proposities aangekondigd en de intentie om klanten naar glasvezel te laten migreren.

Het migreren naar glasvezel is een lastige zaak. Onderscheidende diensten zijn er niet, ook al wordt er nog zo naar gezocht. Wel kan de beschikbaarheid van open netwerken ertoe leiden dat zaken als zorg-op-afstand meer omarmd zullen worden door de aanbieders van dergelijke diensten. Tot die tijd kan een migratie naar glas gestuurd worden door te apelleren aan een gevoel van zekerheid door te wijzen op de toekomstvastheid van het netwerk. Voor KPN is de migratie bovendien nauwelijks interessant, want als we er gemakshalve van uit gaan dat Reggefiber tot het concern behoort, dan moeten sowieso twee netwerken in de lucht worden gehouden: koper en glas. Pas op lange termijn is de migratie zinvol, omdat dan het kopernetwerk uitgefaseerd kan worden (afgezien van vraagstukken als: is er een opruimplicht voor koper? wat moeten unbundlers die nog op het koper zitten? is er voor het koper misschien een andere functie denkbaar?). Pas dan gaat KPN grote kostenvoordelen oogsten en kan weer een nieuwe grote ontslagronde aangekondigd worden.

In het algemeen zijn er twee variabelen waarmee de migratie gestuurd kan worden:

- De prijs: kan voor glasvezel een premie gevraagd worden?

- De diensten: kunnen extra diensten gereserveerd worden voor glas?

Caiway, nog onderdeel van CIF maar bij goedkeuring door de NMa binnenkort een KPN-dochter, geeft een voorbeeld van hoe de migratie met zachte hand afgedwongen kan worden. Wie over coax een triple play kiest, met 50/4 Mbps (down/up), betaalt ongeveer 72 euro per maand. Een vrijwel identiek pakket op glasvezel kost 60 euro per maand en voor 80 euro per maand beschik je over een triple play met 90/90 Mbps. Kortom, Caiway kiest ervoor glas lager te tariferen om de migratie in de hand te werken.

Als de glasaanbieders bereid zijn de handen ineen te slaan om een ATL-campagne op TV te draaien, dan hebben ze hun filmpje met BN-ner al klaar (http://youtu.be/Z9MNnKOJRnw). Reggefiber is er na zijn recente rebranding klaar voor om de spil in zo'n campagne te zijn en heeft er natuurlijk alle belang bij. KPN zelf heeft echter geen prikkel directe prikkel om mee te doen. Het zal ervan af hangen of KPN actief op migratie naar FTTH gaat sturen. Dat moet de komende maanden duidelijk worden.

dinsdag, maart 01, 2011

T-Mobile heeft uiteindelijk weinig profijt van de exclusiviteit van de iPhone

T-Mobile NL en Online Breedband wonnen in Q4 van 2010 abonnees (66.000 mobiel, 1.000 vast). Voor Online is het de eerste groei van het abonneebestand in jaren tijd, dus dat is een opsteker. Zij wisten de groei echter niet in een omzetstijging te vertalen. Prijsdruk en vooral de verlaging van de MTA-tarieven spelen hierbij een rol. Daarmee is het eventuele voordeel van de iPhone, die door T-Mobile lang exclusief werd aangeboden, grotendeels alweer verdwenen. De ARPU, twee jaar geleden nog 24 euro (een mix van vooral consumer maar ook business), bereikte in Q2 van 2010 een piek van 29 euro, maar valt nu weer terug naar 27 euro. De ARPU van KPN Consumer stond medio 2008 ook op 24 euro en staat nu op 25 euro.


De lagere tarieven vertalen zich wel in een duidelijk hoger belvolume. Eind 2008 was het 110 minuten per klant per maand, nu 152. Ook het aandeel van non-voice op de omzet zet door. Er komt bijna ieder kwartaal een punt bij en nu is de bijdrage 30 procent.


De EBITDA ten slotte als maatstaf voor de winstgevendheid doet het goed en laat een sterke correlatie zien met de SAC (subscriber acquisition cost). Mede door de iPhone steeg de SAC naar een piek van 137 euro per klant in Q1 van 2010, om vervolgens terug te vallen naar 97 euro in Q4. Ook hier speelt de iPhone, en het verlies van de exclusiviteit, een rol. De EBITDA zat op een dieptepunt in Q1 van 2010 (102 miljoen euro) en was in Q4 fors beter (122 miljoen).


Concluderend: de iPhone is een 'mixed blessing'. Goed voor het abonneebestand en de omzet, al is dit niet zichtbaar door de verlaging van de MTA-tarieven. De verhoogde SAC zet de EBITDA en de vrije kasstroom onder druk. Aan het eind van de rit, wanneer de exclusiviteit stopt, is het echter zeer de vraag of T-Mobile er iets mee opgeschoten is. De ARPU loopt weer terug en het imago heeft een deuk opgelopen door berichten over slechte netwerkdekking - waarbij we in het midden laten of dat terecht is. Het is al net met het standaardverhaal over de eerste supermarkt die airconditioning aanlegde om in de zomer extra klanten te trekken. Binnen de kortste keren kopieerden andere supermarkten deze zet. Het eind van het liedje was dat de klanttevredenheid over het supermarktbezoek gestegen was, maar dat de volledige branche met hogere kosten werd geconfronteerd om airco's aan te leggen en te onderhouden.

woensdag, oktober 14, 2009

Google Voice: van call-back naar VoIP?

De FCC stelt een onderzoek in naar Google Voice. Google Voice is in maart gelanceerd, als voortzetting van het overgenomen GrandCentral. Gebruikers krijgen een nieuw telefoonnummer en kunnen regels definieren voor het forwarden van een inkomend gesprek. Voor uitgaande gesprekken wordt gebruik gemaakt van het IP-netwerk van Bandwidth.com, zodat gesprekken binnen de VS en Canada goedkoop zijn. Het gaat om een call-back service, waarbij de gebruiker zowel het nummer opgeeft van degene die hij wil bellen, als zijn eigen nummer (vast of mobiel) dat hij daarvoor wil gebruiken. Verder zijn er diverse features, zoals het ontvangen van SMS-berichten als e-mail en het versturen van een SMS, waarbij niet het SMS-tegoed maar de databundel wordt aangesproken.

Google Voice is niet openbaar toegankelijk en alleen op uitnodiging beschikbaar, alsmede naar verluid voor enkele honderduizenden oorspronkelijke GrandCentral-gebruikers.

Op 27 september diende AT&T, dat Google als een van de luidruchtigste verdedigers van net neutrality omschreef, een klacht in bij de FCC over de beperkingen van Google Voice. De beschuldigingen daarin zijn de volgende:

  • Google Voice blokkeert systematisch uitgaande gesprekken naar bepaalde ‘rural communities’, kennelijk om de kosten te verlagen. In juni 2007 verbood het Wireline Competition Bureau ‘call blocking’ omdat dat de betrouwbaarheid van het nationale telefoonnetwerk ondermijnt.
  • Zelfs als Google beweert dat het geen ‘common carrier’ is en dus niet gehouden is aan deze regel, dan geldt dat wel voor Bandwidth.com.
  • Google Voice is in ieder geval een ‘Internet application’ en dus gehouden aan het Internet Policy Statement van de FCC. De vierde regel daarvan stelt dat de consument recht heeft op concurrentie tussen ‘network providers, application and service providers, and content providers’. Door ‘call blocking’ toe te passen, bevoordeelt Google Voice zichzelf.
  • Google schendt ook de vijfde regel over non-discriminatie (‘a provider cannot block fair access to another provider’).
  • AT&T roept de FCC op een einde te maken aan ‘traffic pumping’. Sommige aanbieders maken gebruik van de hoge termination fees in landelijke gebieden door juist daar bijvoorbeeld sekslijnen te exploiteren. Als deze gebeld worden door abonnees van de grote operators, dan dragen zij deze fees af aan de rural operator, die naar verluid in sommige gevallen de inkomsten deelt met de exploitant van de sekslijn.

Het verweer van Google kwam direct:


  • De hoge termination fees van rural operators zijn de boosdoeners en worden dikwijls misbruikt voor het geven van kick-backs aan exploitanten van sekslijnen.
  • Google Voice is een gratis software-applicatie die niet onder de ‘common carrier’ verplichtingen valt.
  • Het is niet bedoeld als vervanging van traditionele telefonie. Voor het gebruik van Google Voice is een vaste of mobiele verbinding noodzakelijk.
  • Google Voice is op ‘invitation only’, met een beperkt aantal gebruikers.

De FCC wil nu over een aantal zaken extra informatie van Google, dat tot 28 oktober heeft om te reageren:

· Hoe is de routing van een gesprek? Er is onderscheid te maken tussen inkomend (door call forwarding) en uitgaand (via het web, mobiel of mailbox) verkeer.

· Zijn er beperkingen in de mogelijkheid om nummers te bellen? Hoe worden mensen daarvan op de hoogte gesteld?

· Is de service gratis? Zo ja, blijft dat zo en hoe is dan de funding ervan?

· Hoeveel gebruikers zijn er? Blijft Google Voice op ‘invitation only’? Wat betekent dit precies?

· Wat is de status van Google Voice: concurreert het met ‘telecommunications services’ zoals gedefinieerd in de telecomwat van 1934? Is het een reseller?

· Waarom en hoe blokkeert Google Voice bepaalde nummers? Worden deze individueel geselecteerd of op basis van geselecteerde centrales?

Dat de FCC een officieel onderzoek instelt, mede naar aanleiding van de klacht van AT&T, is voor Google een tegenvaller, maar het is natuurlijk de plicht van de FCC. Alle klachten moeten serieus genomen worden. De antwoorden van Google op het onderzoek van de FCC mogen met spanning afgewacht worden, vooral waar het gaat om het business model: hoe denkt Google geld te gaan verdienen aan Google Voice? Het is de eeuwige vraag die ook andere diensten, zoals YouTube en Twitter, achtervolgt.

Opvallend is dat AT&T in zijn klacht schrijft dat ‘Google Voice claimed for itself a significant advantage over providers offering competing services’. Nu is dat in financieel opzicht zonder meer een feit, want termination kan in bepaalde gebieden erg duur zijn, maar commercieel gezien is dat in ieder geval onjuist. Door bellen naar bepaalde nummers onmogelijk te maken, heeft Google Voice immers een marketingnadeel ten opzichte van concurrenten die dat niet doen.

Verder stelt AT&T de common carrier verplichtingen op één lijn met de principes van net neutrality. AT&T propageert dat net neutrality niet alleen zou moeten gelden voor network providers, maar ook voor application, service en content providers. Toch is de vraag of dit juist is. Net neutrality speelt zich af op het wholesaleniveau, waarbij de rol van de netwerkeigenaar aan banden wordt gelegd. De common carrier verplichtingen liggen op het retail niveau en beschrijven de verplichtingen die dienstenaanbieders hebben ten opzichte van eindgebruikers.

Ook Google doet een betwistbare uitspraak: Google Voice zou niet bedoeld zijn als ‘replacement for traditional phone service – in fact you need an existing land or wireless line to use it’. Natuurlijk past deze omschrijving bij het call-back karakter, maar als gesprekken on-net plaatsvinden is er wel degelijk sprake van een over-the-top (OTT) dienst. Google spreekt van ‘traditional phone service’, maar wat betekent dit? Er moet voor worden gewaakt netwerk en diensten door elkaar te halen. Daarbij is er voor partijen als AT&T zowel de common carrier verplichting (iedereen die aangesloten is laten bellen en gebeld worden) als de universal service obligation (USO: iedereen die op het netwerk aangesloten wil worden moet dat ook). USO is er voor Google in ieder geval niet, en door de nadruk op het call-back karakter te leggen, hoopt Google aan de omschrijving als common carrier te ontkomen. Ook moet bedacht worden dat Google louter een call management service biedt: abonnees in landelijke gebieden kunnen altijd nog gebeld worden door Google Voice uit te schakelen. AT&T lijkt dan ook weinig kans van slagen te hebben met zijn oproep aan de FCC.

De beperkingen van Google Voice kunnen opgevat worden als oproep om iets te doen aan de hoge termination fees die kleine netwerkoperators vragen. Zoals uit hun brieven blijkt, ergeren Google en AT&T zich evenzeer aan het misbruik door rural operators. Tegenstanders houden echter vol dat ‘traffic pumping’ volstrekt legaal is en zelfs goed is voor de werkgelegenheid in landelijke gebieden. Op basis van hoge termination fees kunnen in dat soort gebieden namelijk call centers geexploiteerd worden, wat leidt tot werkgelegenheid. De FCC verzet echter tegen deze vorm van revenue sharing, waarbij een exploitant via een kick-back geld krijgt van een operator. Daarvoor zijn termination fees immers niet bedoeld; zij zijn ervoor om landelijke operators, met beperkte schaalgrootte, een marge-impuls te geven. Tegelijkertijd overigens klagen de rural operators over het feit dat AT&T al enige tijd weigert termination fees aan enkele van hen af te dragen, uit protest tegen het vermeende misbruik ervan.

Eén ding is duidelijk: er is hier sprake van een botsing van de oude telecomwereld, waarin netwerk en diensten sterk vervlochten zijn, en de internetwereld, waarin telefonie niet meer is dan een applicatie. De FCC staat nu voor de zware taak ‘to meet the twain’. De consument zal het immers een zorg zijn hoe de dienst gedefinieerd is, als hij maar kan bellen en gebeld worden. En als oude aanbieders geen ‘call blocking’mogen doen, waarom nieuwe dan wel? Intussen heeft een ‘bipartisan’ groep van 20 zowel democraticshe als republikeinse parlementsleden de FCC laten weten dat het ongelukkig is met de keuze van Google om bepaalde nummers uit te sluiten van Google Voice.

Toch is er voor Google nog een uitweg. Het beroept zich namelijk op innovatie. Door gesprekken naar landelijke nummers te blokkeren, kan Google Voice zich een positie in de markt verwerven en innovatie (zijn call management services, in wezen een vorm van unified communications) beschikbaar maken voor het grote publiek. Google Voice bespaart zich hiermee de nodige kosten. Essentieel is dan wel dat het blokkeren deel is van een interimstrategie. Als de principes van de common carrier uiteindelijk ook voor Google Voice moeten opgaan, dan impliceert dit dat het huidige Google Voice de eerste stap is in een evolutie, ofwel de eerste stap op de ‘ladder of investment’. Door zich eerst een positie te verwerven, kan het vervolgens zijn positie verstevigen door de nodige investeringen te doen. Dat maakt de vragen van de FCC in één klap relevant: Wat is het business model? Blijft het gratis? Blijft het ‘invitation only’?

Wellicht volgt Google Voice het voorbeeld van Skype: bellen naar bepaalde gebruikers is gratis (in Skype’s geval: de on-net calls naar andere Skype-abonnees) en voor bellen naar andere nummers (in Skype’s geval: vaste en mobiele nummers) is het aanhouden van een beltegoed nodig. Google zou het beltegoed, dat nu alleen van toepassing is voor internationale gesprekken, kunnen aangespreken voor het bellen van bepaalde rurale nummers. Voordeel daarvan zou zijn dat ook Google’s betaaldienst, Google Checkout, een extra impuls krijgt en Google een billing relatie opbouwt met zijn gebruikers. Dat is een asset die vooralsnog gekoesterd wordt door traditionele operators en hen een flink voordeel geeft ten opzichte van over-the-top (OTT) aanbieders zoals Google.

Concluderend kunnen we stellen dat er twee zaken zijn waar eigenlijk niemand gelukkig mee is:


  • Het misbruik van hoge termination fees in landelijke gebieden. Het is aan de FCC om daar iets aan te doen. Intussen heeft het een onderzoek gestart naar de ‘middle market’, waardoor de backbonekosten op een rij worden gezet om tot een nieuwe fee-structuur te kunnen komen.
  • Het uitsluiten van landelijke abonnees van Google Voice. Als het eerste probleem opgelost is, is ook dit probleem uit de wereld. Daarnaast is het aan Google om te bepalen of het van Google Voice meer wil maken dan een call management service.

Door nu over Google te klagen bij de FCC, schiet AT&T mogelijk zichzelf in de voet, want het dwingt Google ertoe de volgende stappen in zijn evolutie te zetten op weg naar een volwaardige common carrier status. En dan heeft AT&T er pas echt een geduchte concurrent bij.

vrijdag, oktober 09, 2009

Heeft BT Global Services een kus des doods gekregen?

BT Global Services werd recent uitgeroepen tot ‘global leader of global leaders’ door onderzoeksbureau Ovum. BTGS onsderscheidt zich, aldus Ovum, op het gebied van innovatie en dienstverlening. Het oordeel is gebaseerd op diverse soorten input: enquetes, analistenrapporten, orders en financiele prestaties.

Op zichzelf is dit natuurlijk goed nieuws voor BT Global Services, maar hoe gedegen het rapport ongetwijfeld ook is: het kijkt vooral achterom en ‘geeft geen garanties voor de toekomst’. Wie kent niet de voorbeelden van bestuursvoorzitters die werden uitgeroepen tot CEO van het jaar, om vervolgens met hun bedrijf in grote problemen te geraken? De bekroning op het goede werk slaat meer dan eens om in een kus des doods.

In het geval van BTGS is de erkenning voor zijn diensten opvallend, omdat dit onderdeel van BT Group nog maar een jaar geleden de oorzaak was van een forse winstwaarschuwing voor het moederbedrijf. Een grote ontslagronde, herstructurering van BTGS, reserveringen en verlaagde doelstellingen waren het gevolg. Nadere bestudering van de feiten laat zien dat BTGS op het niveau van omzet en service prima draaide – en nog altijd draait, getuige het rapport van Ovum. De winstgevendheid is echter zwaar onder de maat. Daarvoor heeft men binnen BT en BTGS nu oog gekregen en de vraag is wat het effect daarvan is.

BTGS laat al vele kwartalen een forse omzetgroei zien, maar de EBITDA was kort na de winstwaarschuwing van 31 oktober 2008 bijna volledig verdampt. CEO Francois Barrault stapte op en zijn opvolger Hanif Lalani legde de vinger op de zere plek. Je zou kunnen zeggen dat de dienstverlening bijna te goed was. Onder Barrault lijkt alles gericht te zijn geweest op het binnenhalen van klanten en het boeken van orders en omzet. De efficiency werd daarbij zwaar uit het oog verloren. Zo klaagde Lalani erover dat een cultuur ontstaan was om, als het ware, steeds opnieuw het wiel uit te vinden. Oplossingen die gebouwd werden voor de ene klant, hadden geen ‘scalability’ en werden niet hergebruikt bij andere klanten.

Door wijzigingen in de boekhouding per 1 april dit jaar wordt het zicht op de historische performance enigszins vertroebeld, maar het algehele beeld verandert hierdoor natuurlijk niet. Op de Britse thuismarkt draait BTGS ronduit slecht, terwijl daarbuiten de omzetgroei op een hoog niveau gehandhaafd wordt. De omzetgroei buiten Groot-Brittannie was de afgleopen kwartalen ‘double digit’, met een piek van 40 procent in het kwartaal per 31 december 2008. De EBITDA-marge daalde naar een dieptepunt van 0,3 procent – nota bene in dat zelfde kwartaal. Bij het jongste kwartaal was deze marge alweer opgelopen naar 3 procent, maar dat is nog altijd zeer laag.

De conclusie die uit de performance van BTGS getrokken kan worden is dat de focus teveel op omzetgroei alleen gelegen heeft. Natuurlijk is het fraai dat de klanttevredenheid, door middel van maatprodukten, hoog in het vaandel stond. De winstgevendheid mag echter niet uit het oog verloren worden. Licht margeherstel in de afgelopen twee kwartalen laat zien dat daar nu iets aan gedaan wordt. De grote vraag is echter: kan BT Global Services zijn positie als topdienstverlener, getuige de erkenning van Ovum, vasthouden, nu er een grote efficiencyslag gemaakt moet worden? Aangenomen mag worden dat de financiele performance verder zal aantrekken, maar het valt te hopen dat de aandacht voor de klant er niet onder gaat leiden.

dinsdag, november 25, 2008

OPTA neemt Reggefiber model als uitgangspunt

De Opta heeft ontwerpbeleidregels gepubliceerd voor toegang tot de door KPN en Reggefiber geplande glasvezelnetwerken. Marktpartijen kunnen tot 8 december reageren. Op 19 december komt de Opta vervolgens met het finale marktbesluit, de finale versie van de beleidsregels en een ontwerp tariefbesluit. Dat laatste staat vervolgens zes weken open voor consultatie en geldt voor de driejaarsperiode 2009-2011.

Het gaat hier uitsluitend om toegang tot de passieve laag (ODF toegang: optical distribution frame), niet om de actieve laag. De tarieven zijn van toepassing op ontbundelde lijnen, co-locatie en backhaul.

Opta stelt een tariefplafond voor om tot een goede trade-off in de tarifering te komen: niet te hoog (om concurrentie te stimuleren) en niet te laag (om investeringen te stimuleren). Dat moet er tevens voor zorgen dat de partijen geen buitensporige tarieven stellen en dat er evenmin marge-uitholling (squeeze) kan plaatsvinden. Aan het begin van iedere driejaarsperiode bekijkt de Opta of de IRR (internal rate of return) zich boven het normrendement bevindt. Zo ja, dan treedt het plafond in werking. Wel wordt de IRR jaarlijks geindexeerd (CPI).

Het tariefvoorstel is gebaseerd op de huidige tarieven van Reggefiber. De Opta hanteert een kostenmodel (DCF) gebaseerd op EDC/WPC (embedded direct cost/wholesale price cap). Daaruit leidt het een IRR af waarbij de netto contante waarde nul is. Het normrendement is gelijk aan een all-risk WACC (weighted average cost of capital). In de basis is de WACC afgeleid van het huidige kopernetwerk van KPN, vermeerderd met opslagen voor glasvezel (vanwege verhoogd risico) en regulering (die per definitie enige onzekerheid met zich meebrengt omdat soms achteraf ingegrepen wordt). Deze gevens dienen tegelijkertijd als input voor de NMa bij de beoordeling van de joint venture van KPN en Reggefiber (Glashart, met 41% voor KPN).

Indien de Opta bij toetsing een IRR meet die groter is dan de WACC, dan is er sprake van overwinst en gaat het tariefplafond omlaag. In het vervolg van de driejaarsperiode wordt deze wel jaarlijks vermeerderd met een inflatiecorrectie (CPI).

De Opta publiceert tevens de huidige Reggefiber-tarieven. Er zijn eenmalige kosten en terugkerende kosten. Eenmalig zijn de aansluitkosten (100 euro), kosten van de-patching (nader te bepalen), telco-telco migratie (125 euro) en een aansluitbijdrage per Area-PoP (point of presence; 3.000 euro). Terugkerend zijn de kosten van de verbinding van de Area-PoP met de City-PoP (600 euro per maand voor 2x28 fibers) en de huisvesting per Area-PoP (500 euro per maand). De hierop gebaseerde ODF-tarieven voor een fiber pair zijn nog afhankelijk van de capex-investering en varieren van 12 tot 15 euro per maand. Daarbij geldt een tariefplafond van resp. 14,50 en 17,50 euro per maand. Ten slotte wordt een grootverbruikkorting gegeven, van 2,5 procent bij 2.000 lijnen oplopend tot 20 procent bij 26.000 lijnen.

maandag, april 14, 2008

Daily Media in De Pers

Vandaag een artikel in De Pers over Daily Media (beter gezegd: de Daily Media box van United Content Distributors), waarover ik onlangs op mijn hoofdblog Communications Breakdown berichtte.
Het bestek is kort, daardoor kwamen enkele zaken onvoldoende uit de verf:

  • Business model, of beter het inkomstenmodel: de inkomsten voor Daily Media moeten uit revenue sharing komen (met name VoD). Het is een open platform waar allerlei dienstverleners op terecht kunnen. Daily Media krijgt steeds een fractie (de omvang varieert en kan soms 0 zijn) van de inkomsten. Interactiviteit (gemakkelijk doorclicken) kan t-commerce inkomsten opleveren en er zijn mogelijkheden voor 'highly targeted' advertenties.
  • Distributiepartners: aanbieders van digitale TV (met name de kabel) worden vooral neergezet als potentieel slachtoffer. Het interessante is volgens mij juist de optie voor samenwerking: voeg nog wat toe aan de box (zoals een tuner voor Digitenne), en zo'n aanbieder kan zijn eigen box 'outsourcen' aan Daily Media. Voor de consument handig, dan heeft hij maar 1 box (of in ieder geval: maar 1 afstandsbedieneing - en daar gaat het om).
  • Technologie: Het produkt is niet alleen gratis en zonder abonnement, maar vooral ook plug-and-play. Daarnaast is de codec (compressie) het vermelden waard, want al bij een beperkte bandbreedte is de beeldkwaliteit prima.
  • Content: de aantrekkelijkheid zit volgens mij met name in zaken als Braziliaans voetbal. Allerlei niches in de 'long tail' kunnen worden aangeboord, in bepaalde gevallen door de juiste distributiepartner te kiezen.

donderdag, januari 17, 2008

SPEECH

Viviane REDING

Member of the European Commission responsible for Information

Society and Media

'The Access Revolution: an evolution

of regulation for competition'

KPN Annual Event

Brussels, 14 January 2008


Ladies and Gentlemen,


This conference addresses the central concern of telecoms sector today: the coming access revolution in high speed broadband. I have just been in Las Vegas for the annual Consumer Electronics Show and it is clear that convergence is on the march – converged high definition displays were on view everywhere. This is clearly the future. But to get to this future we need: first, services we can trust; second, open access to rich professional and user generated content; and third – the subject of today's conference – open, reliable and cheap bandwidth.


The state of play in high speed internet connectivity

Firstly, where are we today? After my visit to the USA last week, I am more than ever convinced that Europe is doing well on broadband availability and take-up. In July 2007, we had over 90 million connections in the EU25, 10 million up on January 2007. The average penetration rate of the 27 is at 18% and rising fast. Five European countries are world leaders (Denmark, Sweden, the Netherlands, Finland and Belgium) ahead of even South Korea and Japan, while the USA has slipped back to 15th place.

It has to be recognised that the EU average is being brought down by the slower moving EU markets. More than 30 percentage points separate the leading and the last-placed Member States. The single most important factor explaining this gap is lack of effective competition on the market because access regulation has not been effectively implemented.

In December, in its latest Lisbon Strategy update, the European Commission laid down a challenge to all Member States to move ahead on broadband take-up, to achieve a 30% penetration rate by 2010 and to embrace this target in their National Lisbon Strategies this year.

To assist this process, by summer in the mid-term review of the i2010 strategy, I will publish a new indicator of broadband take-up in Europe that compares national performance, not only on broadband penetration but also geographic coverage, speed, competition and price.


Advanced roll-out

As the structure of our future broadband performance indicator implies, the game is no longer solely about broadband penetration but about bandwidth, quality and openness to new services.

Content is becoming an essential factor, with the development of services such as IP-TV and mobile TV, in allowing market players to differentiate offers by developing bundled products. Further service development is likely to result in the need for significantly higher broadband speeds of up to 100 megabit per second or more.

On bandwidth speeds in Japan and Korea are top, based on extensive fibre optic networks. It is true in this respect we lag behind, but it should be noted that we doing at least as well as the USA as regards speed, with average connection rates of between 1 and 2 Megabits per second and 12 million fibre connections in both the US and the EU.

In my discussions last week, I was surprised how critical the industry is of broadband services in the US. I found a widely held view that the European regulatory framework and its emphasis on access obligations to open up competition is not at all the impediment to investment and innovation that some market players claim, but actually the main reason Europeans are ahead of the USA in terms of usage of new web services such as social networking sites and virtual worlds.

The regulation of access networks keeps open the potential bottleneck to competition in broadband markets. European rules have provided a real choice for consumers.

The European model is empirically proven to promote not just choice, competition and innovation but also investment: in 2006, investment in the EU telecom sector reached another peak of over €47 billion, 5% up on 2005. This was the fourth year on year increase since 2003. By the way, European investment is at least at the same level as other major regions (Asia Pacific: €44.3 billion and North America: €43.7 billion).


Investment

But there is an important new question to answer as we look at next generation networks offering high bandwidth, available everywhere, cheap and open to innovation and competition. Where will the investment come from to move us from legacy copper networks to new high bandwidth networks?

It is clear that next generation core networks are interesting to market investors: we have seen investments in such networks across most of Europe. But access networks are more difficult for two reasons. The cost of the upgrade is high (between 300€ and 1000€ per household on average, in many places even more!). Second, access is the bottleneck and therefore it creates competition problems. If one player can get hold of this bottleneck he will have the means and motivation to shut off the market to other players – or at least give access to who he wants and on the terms he wants.

How we treat next generation access is therefore the single most important policy question in the telecoms sector today. We have to create incentives for investment whilst making sure that no-one (and I insist on this no-one), can be in a position to foreclose the market.

What are the incentives to invest? The key is a stable and predictable regulatory environment. Investment decisions are finely balanced. If we are to encourage market players to invest in upgrades to the access networks, they will need to be able to offer a long term return on investment to their investors.

Regulation has a role to play here. I see it as entirely appropriate for regulators to allow infrastructure providers to make a reliable return on next generation access investments in return for testable guarantees of non-discrimination and an agreed plan for infrastructural investment that will lead to an open, high speed infrastructure. By the way, one of the potential attractions of functionally separating access networks is to make this incentive structure clearer and more operational.

The traditional revenues from voice calls are still large but year on year they are declining; there has been increasing revenue from broadband services, but not at a level that can offset this decline. Incumbents are searching for alternative revenue streams, bundling multiple services on their infrastructure is one of those.

An EU survey (1) showed that 18% of EU households subscribe to at least one bundled service, and that the most frequently purchased service package is a 'double play' offer of fixed voice telephony and internet. My worry is that such bundling will, de facto, stifle choice and innovation. The traditional operators have every reason to try to channel traffic through their own services and to close off the open nature of the internet, especially if they are faced with demands from investors for more revenue to pay back major investments.


(1) e-Communications Household Survey (July 2006), Special Eurobarometer, European Commission


How will we get there?

Let me be very direct: except where the structure of the market has non-discrimination built into it such as in a well designed system of functional or structural separation the incentive of the telecom company is to design new infrastructures in a way that controls or chokes off competition.

If we look from this perspective at the three different models of network upgrade that are being envisaged for next generation access we see some very interesting developments.

The first model involves VDSL deployment whereby the local loop is upgraded to fibre between the local exchange and the street cabinet. At the street cabinet, higher capacity VDSL modems are installed. Such deployments are relatively quick and cheap to deploy but face capacity constraints in the medium term as bandwidth demand rises up. In terms of open competition however there are serious concerns that VDSL could be attractive to incumbent telecom operators, because they require competitive market entrants to substantially scale up their investment in switching capacity. In even a small country such as the Netherlands a shift from ADSL to VDSL demands about a tenfold increase in the number of switches. Competitors that are unable or unwilling to scale up their investment would be forced out or forced back on the incumbent networks. I wonder, therefore, if VDSL is not a dead end street for both future capacity and competition.

The second model involves deployment of passive optical networks. This brings fibre-to-the-building using existing ducts, since a single fibre is used to carry the traffic to and from multiple users. In the short term it will deliver much higher bandwidths than ADSL or VDSL and is cheaper than end to end fibre to the home. But the flexibility in the medium term may be more limited, not least because the end user equipment and the equipment in the network have to be compatible. Unbundling these passive fibre networks is therefore more difficult and the incumbent increases control.

The third model is point-to-point fibre deployment. This is in fact the only fully future proof approach in terms of ability to deliver more and more capacity as techniques improve and as demand grows. Moreover it is the only approach to next generation access that permits a completely open access policy with the unbundling that has put Europe in the lead today. The difficulty here is cost: existing ducts are often too small to allow multiple fibres to pass through and therefore major construction spending is required. This is by far the most expensive option.


Will regulation persist?

We can see that the choice of which type of Next Generation Access is offered is not neutral. Market investors have a strong incentive to keep investment costs low and where possible increase their control over the access bottleneck. That is why in my opinion regulation will and must persist, so that open access is guaranteed through effective non-discrimination obligations.

The remedies will however have to be adapted to the access solution that has been implemented. In the case of VDSL, unbundling requirements at street cabinet would have to continue to allow competitive access operators to stay in business.

It is unclear that passive optical networks can be unbundled in the way that we see today on copper networks. This requires close attention and probably experimentation with novel architectures, using wave division technology to offer virtual unbundling as a more flexible alternative to bitstream access.

Point-to-point fibre deployment, meanwhile is rarely being deployed by private market investors. Certainly, this is due to its high cost, but it is also probably due to its openness. Where we do see it being used is in open access schemes initiated by municipalities, in cities such as Stockholm and Amsterdam. These schemes are local partnerships that take a pure "infrastructure utility" approach by building ducts and end to end dark fibre and then leasing access to service providers. Clearly by so doing these cities have created for their business and citizens a future proof network infrastructure and for the investors in the networks a very long term stable return on their investment given that ducts and dark fibre have a potential operating life of several decades. Under these conditions of guaranteed open access circumstances, perhaps, infrastructural competition is less important than an open and high performance platform.

However, the municipal solution seems unlikely to be relevant for all of Europe and could lead to a very fragmented landscape. Nevertheless: the industry and regulators, should consider well these models because they represent a legitimate concern by local representatives who want to have a future-orientated and open network in their city.

Whichever infrastructure route we take forward, my conclusion is clear: regulation will have a role to play to keep networks open and to guarantee progress, efficiency and choice. We are approaching a revolution in terms of network access; we have to make sure that the revolution delivers not just high speed access but choice and innovation.


Thank you for your attention.