zaterdag, oktober 04, 2014

OnePlus: exclusieve niche-speler

OnePlus komt in 2015 met een tweede toestel op de markt, de OnePlus 2. Waarschijnlijk heeft dit een kleiner beeldscherm dan de 5,5 inch van de OnePlus 1.
OnePlus doet een dappere poging door te dringen in de rangen van de grote fabrikanten. In de tweestrijd van het iOS (Apple) en het Android (vooral Samsung) kamp zijn al verschillende slachtoffers gevallen. Skepsis is dus op z'n plaats, maar OnePlus lijkt tot nu bijna alles goed te doen. De OnePlus 1 is een smartphone die de rangschikking in high-end, mid-range en low-end toestellen in de war stuurt. De kwaliteit is die van een high-end toestel, terwijl de prijs meer bij de mid-range past. Van de twee versie van de OnePlus 1 kost de goedkoopste namelijk 270 euro (16 GB) en de duurdere 300 euro (64 GB). Kortom, op prijs/kwaliteit komt het toestel er zeer goed uit.
Een ander sterkpunt is de marketing. Bij de lancering in april 2014 was het toestel slechts op basis van 'invitation-only' te krijgen. Wie er één te pakken kreeg, ontving een 'invite' om iemand anders blij te maken. Dat creëerde een zekere hype. Vanaf oktober komt de fabrikant met een pre-order systeem. Beide verkoopmethoden zijn erop gericht de voorraadvorming minimaal te houden en dus om financieel sterker te staan in de concurrentieslag.
Conclusie: het blijft afwachten, zeker nu een tweede toestel onderweg is (medio 2015), maar OnePlus doet een paar dingen goed waarmee het een goede aanval lanceert op de leiders van de handsetmarkt: een goede prijs/kwaliteitverhouding, slimme marketing en minimale voorraadvorming. Nu het toestel in de min of meer vrije verkoop komt, gaat de glans van de exclusiviteit verloren en komt de onderneming in een nieuwe fase terecht. Het is daarbij nog de vraag of het per se naar schaalgrootte moet streven, in welk geval de exclusiviteit opgegeven moet worden. Dan kan de onderneming het slachtoffer van zijn eigen succes worden, want dan is er weinig onderscheidend vermogen. Zo niet en kan OnePlus als kleine speler overleven, dan heeft het een interessante niche aangeboord.

5G maakt alle spectrum kostbaar

Terwijl 4G nog maar net uit de startblokken is, is er al veel te doen over 5G. Operators, toeleveranciers, universiteiten en overheden bemoeien zich ermee om technologisch in de voorhoede te blijven, om een stempel te kunnen drukken op de technologie en natuurlijk om er geld aan te verdienen. Volgens de laatste berichten mengt ook Ziggo zich in de ontwikkeling van deze nieuwe mobiele standaard van de vijfde generatie. Alles is erop gericht 5G-netwerken in 2020 te kunnen lanceren met snelheden tot 10 Gbps.
Begin 2013 was KPN de eerste met een 4G-netwerk en inmiddels is het landelijk dekkend. Vodafone bereikt die mijlpaal binnenkort en later volgen T-Mobile en Tele2. Niet dat landelijke dekking betekent dat een 4G-bnetwerk 'klaar' is. Het valt altijd uit te breiden met nieuwe basisstations ('verdichting') en met nieuwe technologie, waarvoor de nodige 'alphabet soup' in gebruik is: LTE-Adanced, LTE-Broadcast, LTE-Unlicensed, LTE-Direct, en ongetwijfeld volgen nog meer ontwikkelingen.
Maar wat is 5G nu precies? Waar 4G gezien kan worden als een verbetering van 3G, willen onderzoekers van 5G iets radicaal nieuws maken. Voor de consument staan vertrouwde concepten centraal: het moet allemaal nog sneller, de 'latency' (vertraging) moet nog beter en de dekking moet maximaal worden. Maar als we onder de motorkap zouden kunnen kijken, dan zouden we ook nieuwe concepten moeten tegenkomen. Eén daarvan zou moeten zijn: het gelijktijdige gebruik van alle mogelijke frequentiebanden. En dan wordt duidelijk waarom Ziggo zich in de ontwikkeling van 5G mengt. Natuurlijk, misschien wil deze aanbieder in de toekomst mobiele aanbieder worden met een eigen netwerk, waarvoor het eigen spectrum nodig zou hebben. Maar ook deze onderneming bezit reeds spectrumrechten. Met de komst van 5G worden frequenties, in welke band dan ook, zeer waardevol. En dat zou goed nieuws zijn voor Ziggo.

Vodafone ook landelijk met vast netwerk

Het is nog maar kort geleden dat Vodafone landelijke dekking bereikte met zijn 4G-netwerk en nu worden ook de vaste diensten landelijk aangeboden. Onder het label Vodafone Thuis biedt het al langer internettoegang, telefonie en televisie aan, maar alleen over glasvezelnetwerken. Vodafone gaat dus nu echt vol de concurrentie aan met KPN en Tele2 en kleinere aanbieders zoals Online (zusterbedrijf van CanalDigitaal), Solcon en Stipte (voorheen Scarlet). En natuurlijk de kabel, maar dat wordt pas een (bijna) landelijke aanbieder zodra Ziggo en UPC gefuseerd zijn.
We kennen Vodafone op de eerste plaats als mobiele aanbieder en nu wordt het dus een 'full service provider'. De ambities liegen er niet om: het wil de voornaamste concurrent worden van KPN en de kabel. Overigens wil Tele2 dat natuurlijk ook - vandaar de naam. En Online.nl heeft al dezelfde ambitie. We zullen zien wie deze strijd gaat winnen. En als consument kunnen we alleen maar tevreden toekijken, want het betekent in theorie goed nieuws voor de kwaliteit (omhoog) en de prijzen (omlaag).
Maar Vodafone komt met nog meer goed nieuws. Het heeft dan wel geen eigen netwerk en is daardoor afhankelijk van de netwerken van KPN (DSL en FTTH). Maar het gaat wel eigen apparatuur plaatsen in de centrales van KPN. Voor Vodafone is dat fijn omdat het daardoor een veel lagere huur betaalt aan KPN, maar dat is niet het enige. Vodafone wordt veel meer de baas over de eigen diensten. Denk aan de kwaliteit van HD-televisie (Vodafone gaat dit met maar liefst 15 Mbps aanbieden) of de snelheid van de internetverbinding. En dat zijn belangrijke wapens in de strijd met zowel KPN en de kabel als Tele2 en Online.nl.

vrijdag, juli 18, 2014

De telecomsector haalt alles uit de kast

Naar een nieuw speelveld

In onze publicatie Visie op Sectoren van begin mei concludeerden we al dat de telecombranche te maken heeft met een structureel zwakke omzetontwikkeling. Het speelveld verandert daarnaast voortdurend. Na resellers als Tele2 diende zich in de jaren 90 de kabel aan als concurrent van de toenmalige PTT. Tegenwoordig zijn het vooral over-the-top-aanbieders (OTT) die voor concurrentie zorgen. Alle operators – van resellers en voormalige staatsbedrijven tot kabelbedrijven – bezinnen zich op hun strategie. Hoe kunnen ze het beste omgaan met de OTT-aanbieders?

Concurrentie van buiten de sector

De telecomsector wordt gereguleerd en de drempel voor nieuwe toetreders ligt hoog. Regulering werd ingevoerd om het monopolie van de voormalige PTT open te breken. De hoge kosten om een netwerk te bouwen en mobiele licenties te verkrijgen, werken machtsconcentratie in de hand. Hoewel deze factoren anders doen vermoeden, is de telecomsector juist uiterst competitief. De oorzaak hiervan is concurrentie van buiten de sector.

Open netwerken niet meer de belangrijkste concurrentievorm

De overheid stelt wholesale-tarieven vast voor bedrijven als KPN, waardoor nieuwkomers ruimte krijgen om te concurreren (het verschil tussen de wholesale- en de retail-tarieven van KPN). Het netwerk en diensten daarop zijn zo tot op zekere hoogte gescheiden. Zo moet het netwerkbedrijf van KPN de eigen verkooporganisatie dezelfde voorwaarden bieden als wholesale-klanten, zoals Tele2 en Scarlet (heet sinds kort Stipte). In Nederland is deze concurrentievorm minder belangrijk geworden. KPN heeft zelfs veel van zulke klanten uit de markt gehaald door ze op te kopen.

Eerste golf: concurrentie van kabelmaatschappijen

De eerste externe aanval op de telecomsector kwam van de mediasector. Vooral kabelmaatschappijen gebruikten hun nieuwe netwerk om dezelfde diensten aan te bieden als de PTT: naast televisie ook bellen en internet. De markt heeft sterk geprofiteerd van deze slag tussen KPN en aanbieders als Ziggo en UPC. Zo scoort Nederland internationaal hoog met diensten als supersnel breedband en HD-televisie.
Tabel 1 - Internetsnelheden Akamai

Tweede golf: over-the-top

Ernstiger is de aanval door de IT Software & Services sector. Dit is de sector van grote (Amerikaanse) internetbedrijven, zoals Google, Facebook, Amazon, Microsoft, Apple, Netflix, Twitter en Yahoo!. De impact van deze bedrijven groeit, onder andere door overnames van bedrijven als YouTube (Google), WhatsApp (Facebook) en Skype (Microsoft). Deze communicatie- en entertainmentdiensten concurreren met de oorspronkelijke kernactiviteiten van telecombedrijven zoals bellen en sms’en, maar ook televisie. Het is lastig om deze concurrentie het hoofd te bieden. Diensten als WhatsApp (chat), Skype (bellen) en YouTube (video) worden gratis of bijna gratis aangeboden. Vaak hanteren deze diensten een ‘freemium’-model: de basisdienst is gratis en wordt ondersteund door advertenties en klanten betalen alleen voor aanvullende diensten.
Figuur 1 - Het Telecom Speelveld

Noodzaak tot snelle innovatie door ‘freemium’-model

Telecombedrijven zijn doorgaans minder in staat tot snel innoveren. Onder invloed van het freemium business-model zijn internetbedrijven gedwongen zeer gebruiksvriendelijke diensten te ontwikkelen en snel en doorlopend te innoveren. Anders haken gebruikers af of stappen ze over, en daarmee ook de adverteerders. Daarnaast gebruiken internetbedrijven moderne technologie en zijn ze niet aan landsgrenzen gebonden. Zoals WhatsApp: een bedrijfje van 55 man met inmiddels meer dan 500 miljoen gebruikers, waarvoor Facebook onlangs 19 miljard USD betaalde.

Vaste markt loopt voor, mobiele markt lijdt

Op de vaste markt is de evolutie van oude naar nieuwe diensten verder gevorderd dan op de mobiele markt. Het aandeel van vaste telefonie in de omzet is fors gedaald in de afgelopen 10 jaar. De groei in vaste datadiensten stagneert door verzadiging. De concurrentie van OTT-aanbieders op de mobiele markt is zwaarder, waarbij de omzetstijging in mobiele datadiensten het verlies aan omzet in voice en sms voorlopig niet compenseert.
Figuur 2 - Omzetontwikkeling VastFiguur 3 - Omzetontwikkeling Mobiel

Alles uit de kast

De telecomsector haalt alles uit de kast om de concurrentie van OTT-aanbieders op te vangen. Zowel aan de omzet- als kostenkant bekijken ze alle opties. Waar mogelijk vertragen ze omzetverlies en nog liever boren ze nieuwe inkomstenbronnen aan. Aan de kostenkant zetten zij voor al in op een hogere efficiency. Samenwerking is ook een belangrijke ontwikkeling. Inkomsten delen (revenue sharing) heeft invloed op de omzet en infrastructuur delen (network sharing) op de kosten.

5 opties om de omzet te verhogen:

 1. Meer omzet door betere diensten

De meest voor de hand liggende maatregel gericht op omzet is de kwaliteit van het productaanbod te verbeteren. Bijvoorbeeld door download-snelheden te verhogen, door meer belminuten en megabytes aan te bieden, bij een gelijkblijvende prijs. Of het aanbieden van nieuwe zenders in HD-kwaliteit. Het aanbod kan ook worden uitgebreid met domotica-diensten. Belgacom en AT&T hebben vorig jaar diensten geïntroduceerd om een woning te monitoren, met behulp van sensoren, camera’s en thermostaten. Deze bedrijven innen naast eenmalige kosten ook abonnementskosten voor apparatuur en bijbehorende diensten.
Van telecomaanbieder naar ontwikkelbedrijf
De sector kan ook met aanbieders van OTT-diensten concurreren door zelf een service als WhatsApp te ontwikkelen. Vooralsnog gebeurt dat met weinig succes, maar het is niet uitgesloten dat het de komende jaren toch van de grond komt. Op de achtergrond vinden namelijk grote veranderingen plaats in netwerktechnologie. Het belang van specialistische apparatuur, bijvoorbeeld een sms- of een tv-platform, verschuift naar de achtergrond. In plaats daarvan krijgen generieke apparatuur, software en datacenters een centrale plaats in toekomstige netwerken. Ook worden netwerk en diensten verder van elkaar gescheiden. Juist de software-component heeft de potentie om telecombedrijven te transformeren naar ontwikkelbedrijven, die beter kunnen concurreren met internetbedrijven.

2. Snel, sneller, snelst

Sommige operators doen er alles aan om erkend te worden als de aanbieder met het beste netwerk. De voormalige PTT’s (gevestigde orde) bevinden zich in een goede positie, want ze bezitten van oudsher de meeste netwerkonderdelen. Dat geldt voor KPN ook op het gebied van mobiel. Nog voordat het bedrijf een 4G-vergunning kreeg (eind 2012), was de aanleg van dit netwerk al begonnen en in april bereikte het landelijke dekking. Het gevolg is een voorsprong van minimaal één jaar op Vodafone en misschien wel twee jaar op T-Mobile en Tele2. Hierdoor is KPN in staat de voordelen van 4G (hogere snelheid, snellere respons) eerder aan te bieden dan concurrenten. Dat kan via hogere prijzen, een hoger gebruik van mobiele data en klantenbinding invloed hebben op de omzet.

3. Klanten binden door bundelen

Bundelen is een andere interessante optie. Totaalpakketten met bellen, internet en televisie zijn zeer populair en verlagen de ‘churn’ (het verloop) van klanten. Zo’n ‘triple play’ remt omzetverlies en zorgt ervoor dat klanten meer diensten afnemen, waardoor de omzet per klant stijgt. Bedenk wel dat klanten bij een ‘triple play’ doorgaans korting krijgen. Dat heeft in eerste instantie een negatieve invloed op de omzet. Daarnaast is er ook nog een kosteneffect, want dankzij de lock-in kunnen marketinguitgaven omlaag.
Nog meer bundelen: van ‘triple play’ naar ‘quad play’Na ‘triple play’ is ook ‘quad play’ in opkomst, waarbij mobiel is inbegrepen. Dat roept de vraag op of ‘mobile-only’- en ‘fixed-only’-operators in staat zijn op deze trend te anticiperen. Vodafone en kabelmaatschappijen maakten een duidelijke keuze. Vodafone heeft de eerste stappen gezet op de vaste markt en Ziggo en UPC zijn juist in mobiel actief geworden. T-Mobile blijft uitsluitend in mobiel actief door de verkoop van internetaanbieder Online.nl.

4. Spilfunctie biedt kans

De discussie over netneutraliteit richt de aandacht op een mogelijkheid die nog nauwelijks is benut. Dit hangt samen met de spilfunctie van de operator in zijn rol als internet services provider (ISP). De ISP is de poortwachter die de eindgebruiker (abonnee) verbindt met het internet. Traditioneel zorgen uitsluitend abonnees voor inkomsten via hun breedbandabonnement. Nu zien de ISP’s (de operators dus) een kans om ook van internetbedrijven geld te vragen. Zo ontstaat een ‘two-sided business model’. In de VS staat deze ontwikkeling in de schijnwerpers. Comcast en Verizon vragen aan Netflix een onbekend bedrag voor een dergelijke dienst en Netflix maakt er geen geheim van dat het schoorvoetend betaalt.
Dumping of klantvraagDe ISP’s stellen dat internetbedrijven (vooral videodiensten als Netflix en YouTube) hun verkeer op het ISP-netwerk ‘dumpen’. Daardoor zouden zij hun capaciteit voortdurend moeten uitbreiden en daarvoor de rekening betalen. Het is een controversieel standpunt, want de internetsector ziet het heel anders. Volgens hen zijn het de (betalende) breedbandabonnees die de content van Netflix en YouTube opvragen.
Hervormingen op komstHoe dan ook, op Europees niveau is een hervormingspakket voorgesteld. Dit zorgt ervoor dat telecombedrijven deze nieuwe inkomstenbronnen wel degelijk mogen aanboren. Alleen als een dienst onvoldoende kwaliteit heeft op het open internet, mogen de ISP en het internetbedrijf er een prioriteitsdienst met gegarandeerde kwaliteit voor inrichten. Bovendien mag het ontsluiten van zulke diensten niet ten koste gaan van de kwaliteit van het open internet.

5. Nieuwe allianties

Telecomoperators zijn een aantrekkelijke distributiepartner voor aanbieders van apparatuur en OTT-diensten. De operator heeft immers een groot bereik, winkels, naamsbekendheid en een factureringssysteem. De extra omzet die de partijen genereren, kan gedeeld worden. Voorbeelden van samenwerking zijn: KPN met Spotify en HBO Go, Deutsche Telekom met Evernote en Twitter, en de recente alliantie van E-Plus (KPN) met WhatsApp.

5 opties om de kosten te verlagen:

1. Bezuinigen

Personeelsreductie is een bekende ingreep om kosten te verlagen. Er zijn ook andere maatregelen om kosten te besparen. Overschakelen op nieuwe technologie bijvoorbeeld.

2. Capex versus opex: nieuwe technologie is goedkoper

Voor nieuwe technologie zijn weliswaar forse investeringen nodig (capex), maar de kosten voor onderhoud (opex) dalen. De opex-voordelen kunnen zelfs opwegen tegen het capex-nadeel. In de mobiele sector is LTE een voorbeeld van deze ontwikkeling de vierde generatie mobiele technologie (4G). In de vastelijnsmarkt zorgt glasvezel voor kostenvoordelen. De aanleg is kostbaar, maar onderhoud en beheer zijn veel goedkoper. Dat effect wordt overigens versterkt, doordat bestaande netwerken kunnen worden afgeschakeld zodra de nieuwe netwerken in gebruik zijn. In mobiel ligt er op termijn een kans om de 2G (GSM) en 3G (UMTS) netwerken te sluiten. En in vast gaat het bijvoorbeeld om traditionele telefonie, ISDN, ADSL en analoge tv.

3. Wildgroei versimpelen

Simplificatie is bij verschillende operators een veelgehoorde term, zoals bij KPN en Belgacom. Het gaat om zeer uiteenlopende zaken: van zeer uitgebreide abonnementsportfolio’s tot IT-systemen en distributie. Na jaren van groei, ontwikkeling, nieuwe diensten en overnames kan wildgroei zijn ontstaan. Reden waarom simplificatie nu steeds hoger op de agenda staat.

4. Schaalvergroting zoeken

Consolidatie is eveneens een beproefde methode om kosten te verlagen. Als uitsluitend sprake is van verandering van eigenaar is het aantal voordelen beperkt. Maar als het om ‘in-market’-consolidatie gaat, zijn er meer voordelen. Een voorbeeld van de eerste vorm is een eventuele overname van KPN door America Movil of in theorie een fusie van KPN en Belgacom. Hierbij is er weinig tot geen overlap en beperken de voordelen zich tot zaken als gezamenlijk inkopen, ‘best practices’ (leren van elkaar) en samen producten en diensten ontwikkelen.
In-market consolidatie biedt meer mogelijkheden
De lange reeks overnames door KPN geven een goed beeld: van Getronics tot Telfort. De beoogde fusie tussen Ziggo en UPC is een actueel voorbeeld. Naast de genoemde voordelen kunnen functies geschrapt worden en neemt de schaalgrootte toe. In de telecom is dat een belangrijke factor. De vaste kosten zijn namelijk hoog (netwerk, IT) en als ze over meer klanten worden omgeslagen, ontstaan schaalvoordelen.

5. Samenwerking werkt ook

Als een fusie niet direct aan de orde is, brengt samenwerking bepaalde voordelen binnen handbereik. Zoals ‘network sharing’ in het mobiele segment. Een voorbeeld is de samenwerking van T-Mobile en Tele2 in Nederland. Tele2 maakt vooralsnog als MVNO gebruik van de wholesale-diensten van T-Mobile, maar bouwt aan een eigen 4G-netwerk. T-Mobile helpt hierbij en Tele2 mag van dezelfde opstelpunten gebruikmaken. Voor Tele2 betekent dit tijdwinst, omdat zij niet zelf contracten hoeft af te sluiten, bijvoorbeeld met gebouweigenaren voor het plaatsen van zenders. Voor T-Mobile betekent het gedeelde kosten. Het telecombedrijf heeft laten weten dat de opex met maar liefst 30 procent daalt dankzij de huurinkomsten van Tele2.

Conclusie

Een zegen, maar ook een last

Tot op zekere hoogte zijn OTT-partijen partners die ervoor zorgen dat operators de meeste omzet behalen op de breedbandmarkt. Zonder Google, YouTube, Facebook, Netflix en WhatsApp zouden we nauwelijks behoefte hebben aan (mobiel) breedband – laat staan supersnel breedband. Tegelijkertijd ondermijnen deze internetbedrijven de ‘cash cows’ van de aanbieders: telefonie, sms en televisie.

Nieuwe concurrentie zorgt voor tucht

Een intensieve concurrentie is het gevolg. Operators halen alles uit de kast om niet alleen klanten, maar ook aandeelhouders tevreden te stellen. Er zijn veel mogelijkheden om de omzet verhogen en de kosten te verlagen. De komende jaren zal blijken hoe de partijen een nieuw evenwicht vinden. Uiteindelijk hebben ze elkaar nodig. Operators en OTT-aanbieders leven in symbiose met elkaar.

Nieuwe allianties waarschijnlijk de beste weg

Voor de telecomsector keert de rust weer terug zodra de afhankelijkheid van inkomsten uit de traditionele diensten verder afneemt. Nu al verschuift de aandacht naar breedband en mobiele data. Telefonie bepaalt nog slechts minder dan 20 procent van de omzet van KPN Consumer en bij Ziggo is breedband sinds begin 2013 de belangrijkste component van de omzet, meer dan televisie. Kortom, de OTT-sector is een ‘mixed blessing’ die zorgt voor markttucht en die het beste in de operators naar boven haalt.

Deze update is tot stand gekomen in samenwerking met Telecompaper


Auteurs
Tim Poulus (Telecompaper)
Steven Peters, Wouter Sterk (ABN AMRO Sector Advisory)

zondag, januari 12, 2014

Waarom komen dingen niet van de grond in de Nederlandse telecommarkt?


Problemen:
  • Toetredingsdrempel. Telecom/energie hebben een hoge toetredingsdrempel voor passief netwerk. Unbundling is dus een goed idee: kosten van een actief netwerk zijn een stuk lager. Toch heeft unbundling in NL gefaald. Waarschijnlijk omdat de kabel landelijk dekkend is: KPN werd toegestaan om alle concurrenten over te nemen want er was voldoende concurrentie. In UK, waar de kabel niet landelijk dekkend is, werkt unbundling een stuk beter.
  • Regulatory risk/uncertainty. Niet alleen een overvloed aan regulering, maar ook onzekerheid ontneemt partijen de lust om te bieden/investeren. Waarschijnlijk verbaast de markt zich erover dat KPN al die overnames mocht doen (incl. Reggefiber: uitgerekend de partij die een nieuw passief netwerk bouwt).
  • Investeringsbereidheid: Iets waar we niets aan kunnen doen, is de korte-termijnhorizon van veel partijen. Er is weinig bereidheid vijf jaar lang tegen verliezen aan te kijken. CIF/CAIW slaagt er niet in een tweede unbundler te strikken omdat het hoge financiele commitment eist (schaal), waar niemand toe bereid is. Zeer interessant is of Vodafone en Tele2 inderdaad (zoals ze beloven) op korte termijn Reggefiber gaan unbundlen.
  • Tegenwerkende incumbent. Hoe krijg je de PTT onder controle? Chinese muren? Boetes?
  • Collusie. De neiging tot collusie blijft bestaan, zie recente uitspraak van ACM over de mobiele markt.
  • Overstapdrempels. IT systemen moeten voldoen aan overheidseisen? (Interessante ontwikkeling: AT&T biedt overstappers van T-Mobile USA in totaal maximaal $450 voor early termination fees. Respons T-Mobile USA: wij bieden iedereen die naar ons toe komt in totaal maximaal $650.)

Oplossingen:
  • Belastingstimulus. De Innovation Box (KPN en Ziggo maken ervan gebruik) reduceert VpB tot 5% (voor een beperkte periode). Kan dat breder beschikbaar worden gesteld?
  • NFV/SDN. De concurrentie van OTT-partijen dwingt operators tot de vraag: kunnen we ermee leven dat we een dumb pipe worden? Zo nee, dan bieden ontwikkelingen zoals NFV en SDN kansen: de operator manifesteert zich meer als software partij, betreedt de developer markt (operator OTT diensten). En kan dus een beroep doen op de Innovation Box.
  • Nieuwe toetreder. Het reserveren van spectrum voor een nieuwe toetreder mag succesvol heten, ook al zijn de bestaande MNO's er tegen. Nieuwe toetreders om scherp in de gaten te houden (bewijs opbouwen voor de stelling dat spectrum reserveren werkt) zijn: Free (Frankrijk, lancering begin 2012), Tele2 (Nederland, lancering 2015) en SWAN (Slowakije, lancering 2014/15). Interessant is dat Free en SWAN al lanceren bij een dekking van ca. 25% en vertrouwen op nationale roaming; Tele2 doet dat niet.
  • Structural separation. Bij andere netwerken (electra, spoor) is dit al toegepast: het passieve netwerk is in overheidshanden, de actieve laag c.q. de dienstenlaag is open voor concurrentie. (Als KPN goedkeuring krijgt voor de verkoop van E-Plus, krijgt het EUR 3,6 mrd. Daarmee kan de overname van Ziggo + UPC + CIF betaald worden. Vervolgens kan passief afgesplitst worden en opengesteld. Er moet natuurlijk wel een goed lange-termijn plan komen om uiteindelijk tot een nationale infrastructuur te komen, gegeven de overlap in netwerken.)

Voorbeelden:
  • VS. Kroes schuift de Amerikaanse markt vaak ten onrechte naar voren als voorbeeld, maar gezegd moet worden dat de mobiele markt in de VS een stuk dynamischer is dan bij ons. Er zijn ook TD-LTE netwerken (Sprint) en er is innovatie in abonnementen (zie de Uncarrier strategie van T-Mobile USA). Voorbeeld: bij alle grote spelers heb je nu de mogelijkheid abonnement te nemen waardoor je automatisch ieder jaar een nieuwe handset krijgt (bij T-Mobile USA het dat JUMP).
  • Zie boven: Frankrijk en Slowakije voor de mobiele markt.
  • Structural separation (vastelijn): Nieuw-Zeeland, Singapore (Australië is onduidelijk door wisseling van regering).

maandag, mei 23, 2011

Het is tijd voor 'above-the-line' adverteren voor FTTH

Terwijl KPN weigert de uitrol van glasvezel via Reggefiber te versnellen, neemt het aantal plaatsen waar deze joint venture actief is respectabele vormen aan. Wij tellen momenteel meer dan 110 gemeenten waar de aanleg ergens verkeert tussen vraagbundeling of planning van nieuwbouw en voltooiing. En dan tellen we plaatsen als Lisse en Den Haag, waar plannen in een vroeg stadium gesmoord werden, niet mee. Enkele tientallen betreffen nieuwbouwprojecten van wisselend formaat, varieren van nog geen honderd tot enkele duizenden woningen, maar ook dat zijn belangrijke projecten. Aangrenzende wijken kunnen immers relatief eenvoudig meegenomen worden. In rond de 30 plaatsen en wijken loopt momenteel een vraagbundelingstraject. Al met al is dus inmiddels in meer dan een kwart van de Nederlandse gemeenten (totaal 418) op een of andere manier de aanleg van FTTH aan de orde - en dan nemen we andere netwerkbouwers, met name CIF, nog niet eens mee.

Wat opvalt aan de vraagbundlingstrajecten is dat een fors aantal daarvan begin juni, wanneer bekeken wordt of de ten doel gestelde 30 (of 40) procent gehaald is, zijn apotheose bereikt. Dat geldt bijvoorbeeld voor Breukelen, Bunschoten, Castricum, Denekamp, Nunspeet en Wijk bij Duurstede. Als je het wat ruimer neemt en kijkt naar de plaatsen waar rond de zomer de vraagbundeling afgerond wordt, dan kom je zelfs tot enkele tientallen plaatsen. De vraag rijst: waarom grijpt men zo langzamerhand niet naar het instrument van het 'above-the-line' (ATL: massamedia, zoals TV) adverteren? De kabel, verenigd in NLkabel, heeft dat in het verleden wel gedaan voor breedband internet en het FTTH Platform zou een goed instituut zijn voor een gecoördineerde glasvezelcampagne. In plaats van de glasvezelboodschap intern binnen de sector uit te dragen, of te sturen op diensteninnovatie, zou een ATL-campagne wel eens effectiever kunnen zijn. Immers, daarmee bereik je in een klap miljoenen Ziggo en UPC-abonnees. Vooral voor de vele aanbieders met weinig naamsbekendheid (XMS, Lijbrandt, OnsNet, Concepts ICT, Solcon, InterNLnet, Tweak, Plinq, KinkXL, Kliksafe) zou dat aantrekkelijk kunnen zijn. Bovendien zijn ze met zo'n groot aantal, dat de kosten ruim uitgesmeerd kunnen worden.

Het bereik van glasvezel is nog altijd beperkt: nog geen 10 procent van de huishoudens. Per 31 maart 2011 zijn er in totaal 693.000 homes passed bij Reggefiber. De vraag is dus wel of ATL kan lonen, maar het grote aantal gemeenten speelt ook een rol. En daarnaast kan het verstandig zijn het begrip glasvezel een grotere naamsbekendheid te geven. Het aantal abonnees is nog geringer: 198.000 (penetratie 28,6%). KPN Retail is goed voor 7,2 procent van de abonnees en de andere aanbieders hebben 21,4 procent. Wel moet daarbij opgemerkt worden dat KPN terrein wint: het heeft nu 50.000 FTTH-abonnees, tegen 21.000 een jaar geleden en 2.000 twee jaar geleden. KPN had aanvankelijk te kampen met haperende 'leverstraten' en tijdens de jongste Investor Day werden aanvullende investeringen aangekondigd in de kwaliteit van de dienstverlening. Daardoor kan het steeds vlotter nieuwe klanten aansluiten. Tijdens de Investor Day werden overigens ook nieuwe FTTH-proposities aangekondigd en de intentie om klanten naar glasvezel te laten migreren.

Het migreren naar glasvezel is een lastige zaak. Onderscheidende diensten zijn er niet, ook al wordt er nog zo naar gezocht. Wel kan de beschikbaarheid van open netwerken ertoe leiden dat zaken als zorg-op-afstand meer omarmd zullen worden door de aanbieders van dergelijke diensten. Tot die tijd kan een migratie naar glas gestuurd worden door te apelleren aan een gevoel van zekerheid door te wijzen op de toekomstvastheid van het netwerk. Voor KPN is de migratie bovendien nauwelijks interessant, want als we er gemakshalve van uit gaan dat Reggefiber tot het concern behoort, dan moeten sowieso twee netwerken in de lucht worden gehouden: koper en glas. Pas op lange termijn is de migratie zinvol, omdat dan het kopernetwerk uitgefaseerd kan worden (afgezien van vraagstukken als: is er een opruimplicht voor koper? wat moeten unbundlers die nog op het koper zitten? is er voor het koper misschien een andere functie denkbaar?). Pas dan gaat KPN grote kostenvoordelen oogsten en kan weer een nieuwe grote ontslagronde aangekondigd worden.

In het algemeen zijn er twee variabelen waarmee de migratie gestuurd kan worden:

- De prijs: kan voor glasvezel een premie gevraagd worden?

- De diensten: kunnen extra diensten gereserveerd worden voor glas?

Caiway, nog onderdeel van CIF maar bij goedkeuring door de NMa binnenkort een KPN-dochter, geeft een voorbeeld van hoe de migratie met zachte hand afgedwongen kan worden. Wie over coax een triple play kiest, met 50/4 Mbps (down/up), betaalt ongeveer 72 euro per maand. Een vrijwel identiek pakket op glasvezel kost 60 euro per maand en voor 80 euro per maand beschik je over een triple play met 90/90 Mbps. Kortom, Caiway kiest ervoor glas lager te tariferen om de migratie in de hand te werken.

Als de glasaanbieders bereid zijn de handen ineen te slaan om een ATL-campagne op TV te draaien, dan hebben ze hun filmpje met BN-ner al klaar (http://youtu.be/Z9MNnKOJRnw). Reggefiber is er na zijn recente rebranding klaar voor om de spil in zo'n campagne te zijn en heeft er natuurlijk alle belang bij. KPN zelf heeft echter geen prikkel directe prikkel om mee te doen. Het zal ervan af hangen of KPN actief op migratie naar FTTH gaat sturen. Dat moet de komende maanden duidelijk worden.

dinsdag, maart 01, 2011

T-Mobile heeft uiteindelijk weinig profijt van de exclusiviteit van de iPhone

T-Mobile NL en Online Breedband wonnen in Q4 van 2010 abonnees (66.000 mobiel, 1.000 vast). Voor Online is het de eerste groei van het abonneebestand in jaren tijd, dus dat is een opsteker. Zij wisten de groei echter niet in een omzetstijging te vertalen. Prijsdruk en vooral de verlaging van de MTA-tarieven spelen hierbij een rol. Daarmee is het eventuele voordeel van de iPhone, die door T-Mobile lang exclusief werd aangeboden, grotendeels alweer verdwenen. De ARPU, twee jaar geleden nog 24 euro (een mix van vooral consumer maar ook business), bereikte in Q2 van 2010 een piek van 29 euro, maar valt nu weer terug naar 27 euro. De ARPU van KPN Consumer stond medio 2008 ook op 24 euro en staat nu op 25 euro.


De lagere tarieven vertalen zich wel in een duidelijk hoger belvolume. Eind 2008 was het 110 minuten per klant per maand, nu 152. Ook het aandeel van non-voice op de omzet zet door. Er komt bijna ieder kwartaal een punt bij en nu is de bijdrage 30 procent.


De EBITDA ten slotte als maatstaf voor de winstgevendheid doet het goed en laat een sterke correlatie zien met de SAC (subscriber acquisition cost). Mede door de iPhone steeg de SAC naar een piek van 137 euro per klant in Q1 van 2010, om vervolgens terug te vallen naar 97 euro in Q4. Ook hier speelt de iPhone, en het verlies van de exclusiviteit, een rol. De EBITDA zat op een dieptepunt in Q1 van 2010 (102 miljoen euro) en was in Q4 fors beter (122 miljoen).


Concluderend: de iPhone is een 'mixed blessing'. Goed voor het abonneebestand en de omzet, al is dit niet zichtbaar door de verlaging van de MTA-tarieven. De verhoogde SAC zet de EBITDA en de vrije kasstroom onder druk. Aan het eind van de rit, wanneer de exclusiviteit stopt, is het echter zeer de vraag of T-Mobile er iets mee opgeschoten is. De ARPU loopt weer terug en het imago heeft een deuk opgelopen door berichten over slechte netwerkdekking - waarbij we in het midden laten of dat terecht is. Het is al net met het standaardverhaal over de eerste supermarkt die airconditioning aanlegde om in de zomer extra klanten te trekken. Binnen de kortste keren kopieerden andere supermarkten deze zet. Het eind van het liedje was dat de klanttevredenheid over het supermarktbezoek gestegen was, maar dat de volledige branche met hogere kosten werd geconfronteerd om airco's aan te leggen en te onderhouden.

woensdag, oktober 14, 2009

Google Voice: van call-back naar VoIP?

De FCC stelt een onderzoek in naar Google Voice. Google Voice is in maart gelanceerd, als voortzetting van het overgenomen GrandCentral. Gebruikers krijgen een nieuw telefoonnummer en kunnen regels definieren voor het forwarden van een inkomend gesprek. Voor uitgaande gesprekken wordt gebruik gemaakt van het IP-netwerk van Bandwidth.com, zodat gesprekken binnen de VS en Canada goedkoop zijn. Het gaat om een call-back service, waarbij de gebruiker zowel het nummer opgeeft van degene die hij wil bellen, als zijn eigen nummer (vast of mobiel) dat hij daarvoor wil gebruiken. Verder zijn er diverse features, zoals het ontvangen van SMS-berichten als e-mail en het versturen van een SMS, waarbij niet het SMS-tegoed maar de databundel wordt aangesproken.

Google Voice is niet openbaar toegankelijk en alleen op uitnodiging beschikbaar, alsmede naar verluid voor enkele honderduizenden oorspronkelijke GrandCentral-gebruikers.

Op 27 september diende AT&T, dat Google als een van de luidruchtigste verdedigers van net neutrality omschreef, een klacht in bij de FCC over de beperkingen van Google Voice. De beschuldigingen daarin zijn de volgende:

  • Google Voice blokkeert systematisch uitgaande gesprekken naar bepaalde ‘rural communities’, kennelijk om de kosten te verlagen. In juni 2007 verbood het Wireline Competition Bureau ‘call blocking’ omdat dat de betrouwbaarheid van het nationale telefoonnetwerk ondermijnt.
  • Zelfs als Google beweert dat het geen ‘common carrier’ is en dus niet gehouden is aan deze regel, dan geldt dat wel voor Bandwidth.com.
  • Google Voice is in ieder geval een ‘Internet application’ en dus gehouden aan het Internet Policy Statement van de FCC. De vierde regel daarvan stelt dat de consument recht heeft op concurrentie tussen ‘network providers, application and service providers, and content providers’. Door ‘call blocking’ toe te passen, bevoordeelt Google Voice zichzelf.
  • Google schendt ook de vijfde regel over non-discriminatie (‘a provider cannot block fair access to another provider’).
  • AT&T roept de FCC op een einde te maken aan ‘traffic pumping’. Sommige aanbieders maken gebruik van de hoge termination fees in landelijke gebieden door juist daar bijvoorbeeld sekslijnen te exploiteren. Als deze gebeld worden door abonnees van de grote operators, dan dragen zij deze fees af aan de rural operator, die naar verluid in sommige gevallen de inkomsten deelt met de exploitant van de sekslijn.

Het verweer van Google kwam direct:


  • De hoge termination fees van rural operators zijn de boosdoeners en worden dikwijls misbruikt voor het geven van kick-backs aan exploitanten van sekslijnen.
  • Google Voice is een gratis software-applicatie die niet onder de ‘common carrier’ verplichtingen valt.
  • Het is niet bedoeld als vervanging van traditionele telefonie. Voor het gebruik van Google Voice is een vaste of mobiele verbinding noodzakelijk.
  • Google Voice is op ‘invitation only’, met een beperkt aantal gebruikers.

De FCC wil nu over een aantal zaken extra informatie van Google, dat tot 28 oktober heeft om te reageren:

· Hoe is de routing van een gesprek? Er is onderscheid te maken tussen inkomend (door call forwarding) en uitgaand (via het web, mobiel of mailbox) verkeer.

· Zijn er beperkingen in de mogelijkheid om nummers te bellen? Hoe worden mensen daarvan op de hoogte gesteld?

· Is de service gratis? Zo ja, blijft dat zo en hoe is dan de funding ervan?

· Hoeveel gebruikers zijn er? Blijft Google Voice op ‘invitation only’? Wat betekent dit precies?

· Wat is de status van Google Voice: concurreert het met ‘telecommunications services’ zoals gedefinieerd in de telecomwat van 1934? Is het een reseller?

· Waarom en hoe blokkeert Google Voice bepaalde nummers? Worden deze individueel geselecteerd of op basis van geselecteerde centrales?

Dat de FCC een officieel onderzoek instelt, mede naar aanleiding van de klacht van AT&T, is voor Google een tegenvaller, maar het is natuurlijk de plicht van de FCC. Alle klachten moeten serieus genomen worden. De antwoorden van Google op het onderzoek van de FCC mogen met spanning afgewacht worden, vooral waar het gaat om het business model: hoe denkt Google geld te gaan verdienen aan Google Voice? Het is de eeuwige vraag die ook andere diensten, zoals YouTube en Twitter, achtervolgt.

Opvallend is dat AT&T in zijn klacht schrijft dat ‘Google Voice claimed for itself a significant advantage over providers offering competing services’. Nu is dat in financieel opzicht zonder meer een feit, want termination kan in bepaalde gebieden erg duur zijn, maar commercieel gezien is dat in ieder geval onjuist. Door bellen naar bepaalde nummers onmogelijk te maken, heeft Google Voice immers een marketingnadeel ten opzichte van concurrenten die dat niet doen.

Verder stelt AT&T de common carrier verplichtingen op één lijn met de principes van net neutrality. AT&T propageert dat net neutrality niet alleen zou moeten gelden voor network providers, maar ook voor application, service en content providers. Toch is de vraag of dit juist is. Net neutrality speelt zich af op het wholesaleniveau, waarbij de rol van de netwerkeigenaar aan banden wordt gelegd. De common carrier verplichtingen liggen op het retail niveau en beschrijven de verplichtingen die dienstenaanbieders hebben ten opzichte van eindgebruikers.

Ook Google doet een betwistbare uitspraak: Google Voice zou niet bedoeld zijn als ‘replacement for traditional phone service – in fact you need an existing land or wireless line to use it’. Natuurlijk past deze omschrijving bij het call-back karakter, maar als gesprekken on-net plaatsvinden is er wel degelijk sprake van een over-the-top (OTT) dienst. Google spreekt van ‘traditional phone service’, maar wat betekent dit? Er moet voor worden gewaakt netwerk en diensten door elkaar te halen. Daarbij is er voor partijen als AT&T zowel de common carrier verplichting (iedereen die aangesloten is laten bellen en gebeld worden) als de universal service obligation (USO: iedereen die op het netwerk aangesloten wil worden moet dat ook). USO is er voor Google in ieder geval niet, en door de nadruk op het call-back karakter te leggen, hoopt Google aan de omschrijving als common carrier te ontkomen. Ook moet bedacht worden dat Google louter een call management service biedt: abonnees in landelijke gebieden kunnen altijd nog gebeld worden door Google Voice uit te schakelen. AT&T lijkt dan ook weinig kans van slagen te hebben met zijn oproep aan de FCC.

De beperkingen van Google Voice kunnen opgevat worden als oproep om iets te doen aan de hoge termination fees die kleine netwerkoperators vragen. Zoals uit hun brieven blijkt, ergeren Google en AT&T zich evenzeer aan het misbruik door rural operators. Tegenstanders houden echter vol dat ‘traffic pumping’ volstrekt legaal is en zelfs goed is voor de werkgelegenheid in landelijke gebieden. Op basis van hoge termination fees kunnen in dat soort gebieden namelijk call centers geexploiteerd worden, wat leidt tot werkgelegenheid. De FCC verzet echter tegen deze vorm van revenue sharing, waarbij een exploitant via een kick-back geld krijgt van een operator. Daarvoor zijn termination fees immers niet bedoeld; zij zijn ervoor om landelijke operators, met beperkte schaalgrootte, een marge-impuls te geven. Tegelijkertijd overigens klagen de rural operators over het feit dat AT&T al enige tijd weigert termination fees aan enkele van hen af te dragen, uit protest tegen het vermeende misbruik ervan.

Eén ding is duidelijk: er is hier sprake van een botsing van de oude telecomwereld, waarin netwerk en diensten sterk vervlochten zijn, en de internetwereld, waarin telefonie niet meer is dan een applicatie. De FCC staat nu voor de zware taak ‘to meet the twain’. De consument zal het immers een zorg zijn hoe de dienst gedefinieerd is, als hij maar kan bellen en gebeld worden. En als oude aanbieders geen ‘call blocking’mogen doen, waarom nieuwe dan wel? Intussen heeft een ‘bipartisan’ groep van 20 zowel democraticshe als republikeinse parlementsleden de FCC laten weten dat het ongelukkig is met de keuze van Google om bepaalde nummers uit te sluiten van Google Voice.

Toch is er voor Google nog een uitweg. Het beroept zich namelijk op innovatie. Door gesprekken naar landelijke nummers te blokkeren, kan Google Voice zich een positie in de markt verwerven en innovatie (zijn call management services, in wezen een vorm van unified communications) beschikbaar maken voor het grote publiek. Google Voice bespaart zich hiermee de nodige kosten. Essentieel is dan wel dat het blokkeren deel is van een interimstrategie. Als de principes van de common carrier uiteindelijk ook voor Google Voice moeten opgaan, dan impliceert dit dat het huidige Google Voice de eerste stap is in een evolutie, ofwel de eerste stap op de ‘ladder of investment’. Door zich eerst een positie te verwerven, kan het vervolgens zijn positie verstevigen door de nodige investeringen te doen. Dat maakt de vragen van de FCC in één klap relevant: Wat is het business model? Blijft het gratis? Blijft het ‘invitation only’?

Wellicht volgt Google Voice het voorbeeld van Skype: bellen naar bepaalde gebruikers is gratis (in Skype’s geval: de on-net calls naar andere Skype-abonnees) en voor bellen naar andere nummers (in Skype’s geval: vaste en mobiele nummers) is het aanhouden van een beltegoed nodig. Google zou het beltegoed, dat nu alleen van toepassing is voor internationale gesprekken, kunnen aangespreken voor het bellen van bepaalde rurale nummers. Voordeel daarvan zou zijn dat ook Google’s betaaldienst, Google Checkout, een extra impuls krijgt en Google een billing relatie opbouwt met zijn gebruikers. Dat is een asset die vooralsnog gekoesterd wordt door traditionele operators en hen een flink voordeel geeft ten opzichte van over-the-top (OTT) aanbieders zoals Google.

Concluderend kunnen we stellen dat er twee zaken zijn waar eigenlijk niemand gelukkig mee is:


  • Het misbruik van hoge termination fees in landelijke gebieden. Het is aan de FCC om daar iets aan te doen. Intussen heeft het een onderzoek gestart naar de ‘middle market’, waardoor de backbonekosten op een rij worden gezet om tot een nieuwe fee-structuur te kunnen komen.
  • Het uitsluiten van landelijke abonnees van Google Voice. Als het eerste probleem opgelost is, is ook dit probleem uit de wereld. Daarnaast is het aan Google om te bepalen of het van Google Voice meer wil maken dan een call management service.

Door nu over Google te klagen bij de FCC, schiet AT&T mogelijk zichzelf in de voet, want het dwingt Google ertoe de volgende stappen in zijn evolutie te zetten op weg naar een volwaardige common carrier status. En dan heeft AT&T er pas echt een geduchte concurrent bij.

vrijdag, oktober 09, 2009

Heeft BT Global Services een kus des doods gekregen?

BT Global Services werd recent uitgeroepen tot ‘global leader of global leaders’ door onderzoeksbureau Ovum. BTGS onsderscheidt zich, aldus Ovum, op het gebied van innovatie en dienstverlening. Het oordeel is gebaseerd op diverse soorten input: enquetes, analistenrapporten, orders en financiele prestaties.

Op zichzelf is dit natuurlijk goed nieuws voor BT Global Services, maar hoe gedegen het rapport ongetwijfeld ook is: het kijkt vooral achterom en ‘geeft geen garanties voor de toekomst’. Wie kent niet de voorbeelden van bestuursvoorzitters die werden uitgeroepen tot CEO van het jaar, om vervolgens met hun bedrijf in grote problemen te geraken? De bekroning op het goede werk slaat meer dan eens om in een kus des doods.

In het geval van BTGS is de erkenning voor zijn diensten opvallend, omdat dit onderdeel van BT Group nog maar een jaar geleden de oorzaak was van een forse winstwaarschuwing voor het moederbedrijf. Een grote ontslagronde, herstructurering van BTGS, reserveringen en verlaagde doelstellingen waren het gevolg. Nadere bestudering van de feiten laat zien dat BTGS op het niveau van omzet en service prima draaide – en nog altijd draait, getuige het rapport van Ovum. De winstgevendheid is echter zwaar onder de maat. Daarvoor heeft men binnen BT en BTGS nu oog gekregen en de vraag is wat het effect daarvan is.

BTGS laat al vele kwartalen een forse omzetgroei zien, maar de EBITDA was kort na de winstwaarschuwing van 31 oktober 2008 bijna volledig verdampt. CEO Francois Barrault stapte op en zijn opvolger Hanif Lalani legde de vinger op de zere plek. Je zou kunnen zeggen dat de dienstverlening bijna te goed was. Onder Barrault lijkt alles gericht te zijn geweest op het binnenhalen van klanten en het boeken van orders en omzet. De efficiency werd daarbij zwaar uit het oog verloren. Zo klaagde Lalani erover dat een cultuur ontstaan was om, als het ware, steeds opnieuw het wiel uit te vinden. Oplossingen die gebouwd werden voor de ene klant, hadden geen ‘scalability’ en werden niet hergebruikt bij andere klanten.

Door wijzigingen in de boekhouding per 1 april dit jaar wordt het zicht op de historische performance enigszins vertroebeld, maar het algehele beeld verandert hierdoor natuurlijk niet. Op de Britse thuismarkt draait BTGS ronduit slecht, terwijl daarbuiten de omzetgroei op een hoog niveau gehandhaafd wordt. De omzetgroei buiten Groot-Brittannie was de afgleopen kwartalen ‘double digit’, met een piek van 40 procent in het kwartaal per 31 december 2008. De EBITDA-marge daalde naar een dieptepunt van 0,3 procent – nota bene in dat zelfde kwartaal. Bij het jongste kwartaal was deze marge alweer opgelopen naar 3 procent, maar dat is nog altijd zeer laag.

De conclusie die uit de performance van BTGS getrokken kan worden is dat de focus teveel op omzetgroei alleen gelegen heeft. Natuurlijk is het fraai dat de klanttevredenheid, door middel van maatprodukten, hoog in het vaandel stond. De winstgevendheid mag echter niet uit het oog verloren worden. Licht margeherstel in de afgelopen twee kwartalen laat zien dat daar nu iets aan gedaan wordt. De grote vraag is echter: kan BT Global Services zijn positie als topdienstverlener, getuige de erkenning van Ovum, vasthouden, nu er een grote efficiencyslag gemaakt moet worden? Aangenomen mag worden dat de financiele performance verder zal aantrekken, maar het valt te hopen dat de aandacht voor de klant er niet onder gaat leiden.